Ik streef naar landschappen waarin het gevoel van ruimte, de werking van de elementen en het eindeloze niet ingeperkte centraal staat, zoals de vage grens tussen lucht en aarde, water, wolken en land. Zij beinvloeden elkaar.


De volgende woorden van Lucretius spreken mij erg aan: 'In werkelijkheid is er niets dan ruimte. Al wat van de dingen uitgaat, wordt terstond verzameld in de lucht als in een grote zee. En komt dus onophoudelijk uit de dingen voort en gaat er weer in op, daar alles circuleert. Aarde en lucht hangen werkelijk samen met elkaar. Sedert het tijdsbegin als een geheel.
(Vrij naar Lucretius Romeins filosoof en dichter (99 - 55 v.Chr.), Atomen tegen Goden (Antwerpen 1976) p.230,154,162.